De geschiedenis

 

De dominee

Ooit was het de dominee van het dorp (of van de wijk) die lessen kwam geven op de openbare school. Ouders die dat voor hun kind niet wensten konden daartegen bezwaar maken. Maar verder gingen alle kinderen braaf of niet braaf onder het gehoor zitten van de dominee.

Dit alles is verleden tijd.

 

De verleden tijd

Ooit was de school in Nederland eeuwenlang ‘dienares van de kerk’. Aan de kathedralen werden de priesters opgeleid. Omstreeks 1200 komen daar de parochiescholen bij. Dan gaat het niet meer uitsluitend om nieuwe priesters, maar om de vorming van meelevende Chris-tenen..

In de 12de en 13de eeuw komen de steden op. Het recht om scholen te stichten gaat over van adel en geestelijkheid naar stadsbesturen. Scholen blijven sterk religieus gekleurd, maar de openbare school is daarmee geboren. Was het karakter eerst Rooms Katholiek, later verschiet de kleur naar protestants (‘gereformeerd’).

Met de scheiding van kerk en staat in 1796, de Bataafse republiek, verdwenen de leerstellige elementen uit de openbare school, maar de sfeer bleef algemeen-christelijk. Op die manier bleef de school ook toegankelijk voor protestantse, katholieke en joodse leerlingen.

Pas in het begin van de 20ste eeuw verbleekte de christelijke identiteit van de openbare school. Het bijzonder onderwijs werd al mogelijk met de grondwetswijziging van 1848. Maar de invloed daarvan werd vooral snel groter nadat de subsidie voor bijzonder onderwijs in 1920 een feit werd. Al snel verliest het openbaar onderwijs dan haar meerderheidspositie in de Nederlandse onderwijswereld.

Het is dan de tijd dat de dominees de scholen binnengaan voor uurtjes godsdienst. Het mag dan. Voor ouders en kinderen die dat willen of gedogen. In 1929 gaat de helft van de kinderen op de openbare school naar de dominee. In 1959 zou dat maar liefst 82% zijn.

 

In Rotterdam - een traditie van meer dan veertig jaar

In 1955 besluit de gemeente Rotterdam het godsdienstonderwijs op openbare scholen te subsidiëren. Het gaat daarbij uitsluitend om bijbelonderricht.

Het besluit geeft twee redenen:

In deze tijd waarin het inzicht veld wint, dat onze cultuur niet is los te denken van de Bijbel en dat dit boek als een groot geestelijk erfgoed tot de jeugd moet worden gebracht, zouden de godsdienstverzorgende organisaties tot uitbreiding van hun werk op scholen willen overgaan. Dit zou slechts mogelijk zijn, indien de Overheid een belangrijk deel van de daaruit voortvloeiende uitgaven voor haar rekening zou nemen...’,

en dan

zal met redelijke zekerheid het bijbelonderricht op psychologisch-didactisch verantwoorde wijze gegeven kunnen worden’.

 

Een zaak van cultuur en een zaak van goed onderwijs. Dat is de redenering. Maar die redenering overtuigt niet ieder. Er komt verzet, en het duurt tot 1958 totdat het besluit wordt uitgevoerd. Speciale schoolcatecheten worden aangesteld, de gemeente betaalt in belangrijke mate.

 

De tijden veranderen

De tijden veranderen, en in 1972 wordt de regeling aangepast t.b.v. het humanistisch vormingsonderwijs. In 1981 stelt de gemeente in een veelbesproken discussienota dat de openbare school een ontmoetingsplaats dient te zijn, ook voor verschillende geestelijke stro-mingen. In 1989 eist vervolgens ook het islamitisch godsdienstonderwijs haar aandeel op.

Eenmalig komt daarvoor een extra subsidie. Daarna wordt boven het geld van de overheid een plafond gemaakt. Zoveel, en niet meer. Niet meer geld, wel meer kinderen. Eind jaren negentig is het geld van de overheid nog maar voor minder dan 50% kostendekkend.

 

De jaren negentig

In de periode 1990-1999 zijn alle organisaties daardoor bezig met financieel overleven. Binnen het IKOS zie je overal een wat angstig proberen om de begrotingen rond te krijgen, en kosten te besparen over de ruggen van leerkrachten heen.

Dit alles gebeurt binnen een achttal verschillende, meest regionale commissies. Iedere commissie vraagt aanvullend geld van kerken uit de buurt.